You are currently browsing the category archive for the 'Fictie' category.
Het bos was stil. Het droeg zijn eigen geluiden, maar verder was het stil, vrij van alle herrie die een wereld van mensen met zich meebracht. Geen geschreeuw of getoeter. Geen gelach of ronkende motoren, of moeders die hun kinderen berispten. Geen banale gesprekken.
Hier in het woud was het alsof dat alles niet bestond. Het was iets uit een andere tijd, een andere wereld, één die nooit als thuis gevoeld had.
Ze had altijd van de stilte gehouden. Stilte bracht vrijheid. Het bracht een werkelijk luisteren naar de wereld om haar heen, en deed haar wegzinken in overpeinzingen die fris en nieuw waren. Puur.
Ze liet haar fantasie de vrije loop. Ze was hier niet alleen, het bos ademde om haar heen, met beroering als van kleine diertjes en de wind die langs takken streek. Het bos keurde haar aanwezigheid goed. Ze verstoorde niets. Ze liep enkel rond in verwondering, zich steeds dieper wagend in het onzichtbare doolhof.
Ze wilde een boek schrijven. “Verhalen van verdwaaldheid” zou ze het noemen.
De wolf keek haar aan met zijn doordringend blauw-witte ogen. Hij stelde haar een vraag. Hij stelde haar de vraag of ze oprecht zou doen wat ze deed, als haar zielenheil er vanaf hing. Hij stelde haar de vraag of gerechtigheid bestond. Ze moest hem eerlijk antwoorden. Had ze de kracht te zijn zoals hij, oprecht, zonder compromis? Om te doen wat juist was?
De wolf was het zwaard. De kling die geen plek had voor leugens of schijnheiligheid. Het zwaard dat iedereen uiteindelijk dezelfde vragen zou stellen, of ze het nu wilden horen of niet. Om weg te krimpen voor het zwaard, angst te voelen voor de waarheid, was de grootste zwakte.
Het draaide rond in haar hoofd, de kern van alle narigheid. Het werk dat haar steeds minder interesseerde, de woestijn die zich langzaam aftekende in haar liefdesleven. De grauwheid, de sleur. De zoom van haar rok kriebelde bij haar benen. Ze verschoof, maar het hielp niets.
Read the rest of this entry »
Zijn pad had hem door de stad heen geleid, met zijn drukke alledaagsheid. De mensen die naar hun werk gingen, hun kinderen naar school brachten, de koopmannen die hun waren aanprezen op de markt. De geur van vers gebakken brood en vis, vermengd met die van het stof en de ochtend. Het gekraak van zijn kar ging verloren in alle andere geluiden, hoewel de roes van de stad zijn pas niet kon versnellen. Het geluid liep langzaam terug, en het bracht hem buiten de stad. Daar was er weer het droge gras en het gezoem van de bijen. De verharde weg maakte plaats voor het vertrouwde pad van zand, en het duurde niet lang voor hij zijn plaats van bestemming zag.
Read the rest of this entry »
Het meeste van het stof dat de hele weg in zijn ogen was gewaaid, was verdwenen door het vallen van de regen. Hoe dat zomaar kon veranderen van het ene op het andere moment – zoals de meeste dingen in het leven – bedacht de oude man en schudde zijn hoofd. De weg was lang en de dag was heet geweest, maar de ezel voor hem toonde nog geen tekenen van vermoeidheid. Het was een sterk dier, standvastig. Het was goed om dingen te hebben waar je op kon rekenen. Hij zou het snel iets laten drinken, dat had het wel verdiend.
Voor hem in de kar lagen zijn schamele bezittingen en het kostbaarste wat hij bezat : zaden. De zaden lagen onder een stuk zeildoek, beschermd tegen het vocht. Het kon natuurlijk niet zo zijn dat de lading zou gaan ontkiemen in de kar, hoewel dat misschien een mooi gezicht zou opleveren. Met de zaden zou hij in de volgende stad een nieuw leven opbouwen, mits de grond vruchtbaar genoeg was. Niemand zou hem daar kennen, en hij was oud en leverde geen bedreiging op, het zou hem toegestaan zijn tot zichzelf te houden.
In het veld bood een jonge vrouw een vreemde aanblik. Ze stond stil met haar armen hoog boven haar hoofd, haar ogen gesloten. Voor wat een eeuwigheid leek was ze absoluut bewegingloos, opende toen haar ogen en liet zich neervallen in het gras, verrukt door de aanblik van de wereld om haar heen. Toen ze hem zag knikte ze naar hem. Op elk ander moment was hij misschien gestopt om een praatje te maken, maar hij hield zich zijn doel voor ogen : Zijn nieuwe bestaan en zijn zaden.
De geur van regen stijgt op vanuit de grond, langzaam haar neusgaten binnendringend. Een paar druppels en de hele atmosfeer verandert, alles lijkt een beetje frisser, verser. Ze wilde dat het meer was, de paar druppels mogen dan de vogels doen tsjirpen, ze doen niet veel voor het drukkende gevoel in haar voorhoofd, een gevoel waar ze al dagen last van heeft.
In haar fantasie is ze omringd met groen, enkelhoog gras, en donkere bergen in de verte. Het is er stil en toch niet stil, want de krekels laten zich niets opleggen, en ook de bijen zoemen rond. De bomen ruisen. Als bomen ruisen, praten ze tegen elkaar bedenkt ze. Omringd door de wind en het gras voelt ze een rust op zich neerdalen die het gevoel in haar voorhoofd verdrijft.
Vogels in de lucht. De lucht is een koepel voor de wereld, een grote glazen stolp. De zon vervolgt zijn baan langs de hemel terwijl ze wegdrijft in niet-denken. Niet-denken en ruiken, voelen. Alle zintuigen, behalve het oordelende zintuig, wat alles puur laat, zoals het is.
Een kar kraakt op het pad. Een ezel trekt de kar voort, gevolgd door een oude man met een rieten hoed. De man geeft haar een opmerkelijke blik, maar stopt niet. Nog meer pelgrims in dit niemandsland.
Thee schenken in de late uurtjes, dat was haar manier om te zeggen “Ik vind je leuk”. Read the rest of this entry »
Vandaag is er alleen nog maar de gang. De tv staat zwart en eenzaam in de erker. Niemand zit op de bank. Ik zit op de zwart-witte tegeltjesvloer, met mijn rug tegen de muur. Ik speel met mijn haar.
Read the rest of this entry »
Ze hadden gelachen, heel hard gelachen, en toen hadden ze er nog eentje op genomen. Een paar slokken later werd zelfs het glas overbodig en beroerde haar rode lippenstiftmond het uiteinde van de fles. Hij vertelde iets, ze lachte weer, maar op dit punt was alles grappig. Daarna werd ze stil. Ze keek de kamer rond en bedacht hoe absurd dit alles eigenlijk was. Met de wazigheid van een dronkeman bekeek ze haar eigen hand, bekeek haar nagels. Ongelakt, ongevijld, met scheurtjes en barstjes en de langwerpige groefjes waarvan men zei dat het veroorzaakt werd door een gebrek aan verse groenten in het dagelijks dieet. Even leek ze hem te zijn vergeten.
Read the rest of this entry »
Ze had een paar glaasjes gedronken. Was op zijn stoep terecht gekomen. Had aangebeld. Hij had opengedaan, en toen hij eenmaal over zijn verbazing heen was had hij haar verzocht om binnen te komen en vooral rustig te blijven zitten terwijl hij een kop thee voor haar maakte.
Read the rest of this entry »
