Buiten begint de lucht aan zijn verandering, zoals elk jaar, subtiel. Het is nog koud, en terwijl ik loop dwarrelen sneeuwvlokjes zacht naar beneden, maar ik kan de verandering voelen. Het voelt en ruikt lichter, levendiger. Belofte. Een sprankje hoop laat zich horen in mijn achterhoofd.

Ik loop naar de tandarts, omdat de ketting van mijn fiets eraf is en ik geen tijd meer heb. Maandag kreeg ik ruzie met mijn moeder over iets stoms, en dinsdag liet ik de sleutels van mijn stiefvader’s auto in de put vallen, waarna we ze eruit moesten vissen. Dit alles draagt bij aan mijn mindere zonnige stemming.

Daarbij zijn er andere factoren. Ik heb me een beetje een complex aan laten praten. Over mijn haar en mijn huid. Het idee heeft postgevat dat er nog veel valt te verbeteren aan verschijning, terwijl ik voorheen veel minder last had van dit soort gedachten. Mijn zelfvertrouwen is ingezakt en ik voel me slungelig, stug en saai.

Op het werk vraag ik me af hoe zinvol ik bezig ben. Kan ik niet beter iets gaan doen waar de mensheid in ieder geval iets aan heeft, in plaats van hen dingen te verkopen die ze niet nodig hebben, voor een veel te hoge prijs?

Waar is toch de zon, als ik haar nodig heb? Waar is de vreugde? Ik kan de winter niet meer luchten of zien.