Het voelt alsof ik teruggekeerd ben uit een andere wereld. Twee weken lang verbleef ik met een groep schoolgenoten en Kosovaarse studenten in Drenas, Kosovo , rondrijdend in onze bus. Elke dag hield ik een dagboek bij, om zo weinig mogelijk te vergeten, want elke dag was weer iets nieuws. De Kosovaarse studenten zal ik nooit vergeten, hoe ontzettend warm en vriendelijk ze zijn geweest en hoe open – en ik zal het als alles goed loopt ook niet hoeven, want dan komen ze in juni naar ons toe.

Ik heb een tijdje in het apartement geslapen waar de rest van de groep verbleef, maar na een paar dagen werd ik uitgenodigd om bij een van de studenten te komen slapen, Valentinë. Het was een vol huis, want de de volwassen zus van Tina met man en kinderen, de moeder van Tina en een andere zus sliepen er, naast twee CIOS studenten, ik en mijn coach, en twee duitse familieleden met kinderen. Het was een gezellige drukte, en ik heb de Kosovaarse keuken mogen genieten, Turkse thee, en heb regelmatig kunnen douchen, iets wat in het apartement niet echt aan de orde was. Je weet niet hoe ontzettend je bepaalde luxe – want dat is het, luxe – voor lief neemt, tot je het moet ontberen.

Ik heb ontdekt dat Kosovo vooral een oude, kapotte deur is, bedekt met een laagje vernis. Aan de ene kant is er alle schijn van een land dat verwestert, met bepaalde luxe-items die daarbij horen, aan de andere kant zijn er de ruïnes van in de as gelegde huizen, en de families die gebukt gaan onder het gemis van hun geliefden. Er is de mode en er is de armoede, het prikkeldraad dat tussen de hippe winkels staat, het puin dat nog steeds overal ligt. Er zijn de sloppen waar mensen amper te eten hebben, de scholen die geen waterleiding hebben, en de afwezigheid van een afvalverwerkingssysteem dat mensen het vuil op hopen doet gooien om het te verbranden.

Als je over een willekeurige weg rijdt zul je langs minstens drie begraafplaatsen komen. Je zult een heleboel AUTOLARJE’s zien, plekken waar je je auto kunt laten wassen, omdat er te weinig ander werk is om de mensen in hun levensbehoeften te laten voorzien. Je zult zwerfhonden tegenkomen in groepjes, en katten die schooien in vuilnisbakken. Winkeltjes die plastic kitsch verkopen en supermarkten die 50% van hun omzet uit de verkoop van chocola halen, en de KFOR die deel is van het straatbeeld. Dat alles hoort bij Kosovo – of liever gezegd Kosova, zoals de bevolking het graag ziet – samen met het mooie landschap en de warme mensen.

Dit zijn maar enkele indrukken, het is een boeiende reis geweest, waar ik met veel plezier aan zal terugdenken. Meer volgt.