Blootgeven is niet iets dat ik graag doe. Zeker, tegenover “vreemden” – u zijt niet allen vreemden, maar grotendeels wel – op het internet is het niet zo moeilijk, als de reactie negatief of geringschattend uitvalt kan ik daarbij mijn schouders ophalen. In het echt vind ik het al moeilijk om sorry te zeggen, of te zeggen hoeveel ik om iemand geef.

Ik denk iets te weten over de liefde. Door een beetje ervaring in lange relaties denk ik te weten hoe het zit. Maar eigenlijk weet ik niets. Ik weet hoe het kan lopen en kan dingen herkennen, waaruit ik conclusies kan trekken, maar verder weet ik niets.

Als ik hem zou zeggen wat ik echt van hem vind, zou dat de grootste opening voor een nederlaag zijn die ik kan geven. Misschien zou hij lachen. Het stom vinden. Of zeggen “Ach wat lief”, en nog zou ik me schamen. Dan zou ik hard weg willen rennen, als een kind.

Ik vind hem mooi, en lief, met een sterke persoonlijkheid. Met eigenschappen die ik bewonder. Hij Kan dingen. Maar ik weet dat hij zo zou kunnen gaan als hij eenmaal doorheeft hoe mooi en lief hij is. Wat zou hij dan nog met mij moeten? Ik heb geen admirable traits. Ik sta niet in de wereld. Voor mij is alles grijs, uiteindelijk.

Denken aan de toekomst is jezelf toestaan om hoop te hebben. Te denken dat het misschien niet allemaal in duigen valt. Plannen te maken. Misschien is er wel een toekomst waar hij in rondloopt, samen met mij. Dat is wel iets waar ik naartoe wil. Al is het misschien naïef om dat te denken. Maar misschien zou ik meer naïef moeten zijn, er is tenslotte al zo weinig waar ik in geloof.